In gesprek met Michael Chambers
Vorig najaar woonde ik een informatie avond bij met verschillende sprekers over de veengebieden in Mayo in het bezoekerscentrum van National Park Ballycroy. Michael Chambers, gids bij het National Park, vertelde ook een en ander over het gebied van het National Park en droeg enkele gedichten voor die hij schreef over zijn woonomgeving. Zie mijn blog van 1 oktober jl. In de weken daarna maakte ik enkele prachtige wandelingen met hem in de bergen, zie bij blogs van 18 en 21 november. Op de informatieavond had ik al de indruk gekregen dat Michael een bevlogen en enthousiaste liefhebber is van het veenlandschap en de bergen in Mayo, dit werd tijdens de wandelingen alleen maar bevestigd. Vorige maand, nog voor we te maken hadden met social distancing, sprak ik Michael wat uitgebreider op het bezoekerscentrum.
Michael is geboren in Shramore, The Nephin Beg Mountains en woont daar nog steeds met zijn gezin aan de voet van de berg Tirkslieve, met uitzicht op Lough Feeagh. Zijn vader had vroeger een kleine schapen boerderij met mountainsheep, een schapenras dat goed gedijt op de schrale veengronden in de bergen. Wanneer zijn vader met enige regelmaat de schapen ophaalde uit de bergen, wanneer ze geschoren of ontwormd moesten worden, of andere medicijnen toegediend kregen, was Michael vaak van de partij om te helpen. Hij was als kind al als een vis in het water in de Nephin Beg Mountains en vindt er nog steeds blindelings zijn weg.
Honderden jaren betaalden de Ieren huur aan hun Britse landlords. Ze leefden in bijzondere arme en moeilijke omstandigheden, waardoor er steeds meer opstand en rebellie ontstond. Dit resulteerde in 1921 in de Onafhankelijkheidsoorlog. Na de Ierse onafhankelijkheid werd er een landcommissie opgezet, die het land verdeelde over de mensen die er woonden. Het land werd nu gemeenschappelijk eigendom van de boeren. Iedere schapenboer bracht zijn schapen naar een ander gebied, maar er waren geen afscheidingen tussen de verschillende gebieden, het land in de bergen was voor gemeenschappelijk gebruik. De schapen bleven doorgaans bij hun eigen groep. Wel markeerde elke eigenaar zijn schapen met een eigen kleur, een verfvlek op de vacht, voor het geval de schapen toch gemixt waren tijdens het grazen. Vaak verzuchtte Michaels vader tijdens deze tochten in de bergen: “ After all the trouble getting the land back, this is what we’ve done to it”. Hij doelde dan op de gevolgen van de overbegrazing die in die tijd, in de jaren 80 van de vorige eeuw, overal zichtbaar waren. De schrale begroeiing, grote stukken zwart land, zonder enige vegetatie. Hoe was dit ontstaan?
Na de onafhankelijkheid bleef het moeilijk voor de Ieren, het bracht niet de welvaart waar ze op hadden gehoopt. In de jaren 60 had Ierland het economisch zo zwaar, dat er nog steeds sprake was van veel emigratie. Het bleef moeilijk voor de mensen op het platteland. Terwijl West-Europa industrialiseerde en mensen een goed en welvarend leven kregen, leefden mensen in West-Ierland nog steeds van het land, en hun eigen oogst en elk gezin stak in het voorjaar turf voor eigen gebruik om de huizen te verwarmen. En ontstond wel wat industrie in de stedelijke gebieden rond Dublin, maar het platteland bleef arm.
In 1974 trad Ierland toe tot de EU. Europese gelden werden belangrijk voor Ierse boeren, ze ontvingen namelijk subsidie per schaap. Dit was een aanmoediging voor de boeren om zoveel mogelijk schapen te houden. Plotseling werden in huishoudens waar vier of vijf mannen in huis waren, vaders met zonen, door elk van hen individueel geld van Europa geclaimd voor schapen die ieder van hen in de bergen liet grazen. De aantallen schapen namen hierdoor met enorme aantallen toe. Sommige boeren namen genoegen met één betaling voor het hele gezin, maar in veel gezinnen werd door meerdere mensen Europees geld geclaimd. Michael denkt dat het de eerste keer was sinds de hongersnood eind 19e eeuw, dat mensen een inkomen konden genereren op het platteland. Een inkomen dat maakte dat hun hele familie in Ierland kon blijven, zonen hoefden niet langer te emigreren. Het was dus niet zozeer een manier om veel geld te vergaren maar een manier om de familie bij elkaar te houden.
De bog is een nat veengebied en helaas, toen al deze schapen moesten grazen in de bergen, werd bijna alle vegetatie opgegeten. Er was sprake van een enorme overbegrazing, alle gras en planten verdwenen, veel bogs veranderden in zwarte dode vlaktes. In Ierland regent het veel, doorgaans houden de grassen, mossen en heide het veengrond bij elkaar. Bijkomend effect van de overbegrazing was, dat de onbegroeide veengrond uitdroogde, losliet tijdens hevige regen, en wegspoelde in de rivieren. Dit had weer effect op de zalm en forel in de rivieren die uitstierven en wegbleven. Bovendien, werd het drinkwater in de reservoirs vervuild. Het mondde uit in een grote ramp. Dit speelde ook in the Nephin Beg Mountains, ten tijde van de jeugd van Michael. Hij herinnert zich nog goed de kale zwarte stukken land in zijn omgeving.
Eind jaren 80, begin jaren 90 zijn de regels daarna na ingrijpen door de Eu aangepast, de subsidie werd niet langer berekend per schaap, maar naar oppervlakte van het land, waar een maximum aantal schapen op mochten grazen. Een betere regeling om het aantal schapen in balans te houden ten opzichte van de oppervlakte van het gebied. Boeren moesten daarna ook kunnen bewijzen dat ze een gebruikersrecht hadden in de bergen en hoeveel. Er kon alleen nog voor een bepaald aantal schapen, afhankelijk van de grootte van het gebied, subsidie ontvangen worden.
Om het veen te laten herstellen, werden de boeren in eerste instantie aangemoedigd hun schapen voor een aantal jaar weg te houden van de bergen. Dit bleek al snel geen succes, want het neveneffect daarvan was het tegenovergestelde, het land raakte over begroeid, een laag dood gras kwam op de oppervlakte te liggen, waardoor nieuwe begroeiing verstikte. Wat de boeren daarna deden was het afbranden van de dode vegetatie zodat in het voorjaar nieuwe begroeiing de ruimte kreeg en de schapen weer konden grazen. Inmiddels is dat ook verboden, omdat dit grote veenbranden veroorzaakte, die moeilijk te blussen waren met alle problemen van dien. Nadat de balans terug keerde, kon het veen herstellen. Hoewel er nog steeds gebieden zijn die nog niet volledig zijn hersteld.
Het is een gevoelig onderwerp, omdat zoveel Ierse boeren afhankelijk zijn geworden van de Europese subsidies, vooral nu de prijs van het lamsvlees van deze bergschapen erg laag is geworden. In de supermarkten vind je meer lowland schapen, een mountain lamb is kleiner met minder vlees. Dit lamsvlees werd voorheen vaak geëxporteerd naar het vaste land van Europa, maar dit is nu niet meer winstgevend. Ook is er geen vraag meer naar de Ierse schapenwol. Dus zonder de EU subsidies zal de Ierse schapenboer niet overleven.
Ondanks dat de boeren afhankelijk zijn geworden van het EU geld, willen ze zich nog steeds vaak niet houden aan de Europese regels, wat betreft het verbod op verbranden van de vegetatie en het turfsteken in de beschermde gebieden. Michael denkt, dat wanneer de Ierse boeren willen overleven, ze zichzelf opnieuw zullen moeten uitvinden. Misschien zouden ze kunnen optreden als bewaarders van de bogs en voor het onderhoud worden betaald met EU geld. Er zouden dan nog steeds wel een klein aantal schapen kunnen grazen op de bogs om de vegetatie in balans te houden, de bergschapen zijn immers inmiddels onderdeel van het landschap. Maar de boeren zijn dan wel de bewakers van het evenwicht, de biodiversiteit. In plaatst van schapen, zorgen ze dan ook voor de vogels en het overige wild op de bogs.
Michael vertelt: “Mijn vader stak vroeger elk voorjaar 7 of 8 plots turf , elk 50 meter lang en 60 cm breed. Je stak 3 lagen, de onderste laag, zwarte turf, was zeer goed, als kool. Deze zwarte turf brandt langer en geeft meer warmte. De bovenste laag turf is nog niet volledig ontbonden, het is minder compact en losser. Wanneer deze turf wordt gedroogd zal het veel sneller verbranden. Mijn vader stak de turf met de sleán, wij, mijn broer en ik, moesten helpen door de turfmoten uit te spreiden over het land, zodat de wind er over kan blazen en het een beetje kon drogen en wat uitharden. Wanneer het stevig genoeg was om rechtop te staan, dan maakten we kleine stapels, foots genaamd, waar de wind door kan blazen. Dit noemen we footing. Soms troffen we een nest met wilde berghazen aan onder een foot. Die foot lieten we dan met rust en deze bleef staan. Wanneer de turf voldoende gedroogd en uitgehard was dan brachten de mensen de turf naar huis, naar de turfschuur, tenminste, wanneer je een dergelijke schuur had. Dit werd gedaan met een ezelskar, in mijn jeugd was dat nog een veel voorkomend beeld. Wanneer je geen turfschuur had, zoals wij, bewaarde je de turf op de bog. Hiervoor maakte je een turfstack, een speciale manier van stapelen van de turf, op de bog, deze stapel werd vervolgens afgedekt met een stuk landbouwplastic. Dit wordt tegenwoordig nog steeds op deze manier gedaan. Vroeger werd de stack bedekt met stro, net als een rieten dak, om de regen tegen te houden. Onze bog was slechts 500 meter van ons huis. Wanneer wij turf nodig hadden, vulden mijn broer en ik elke een zak turf op de bog en droegen deze over de schouders mee naar huis wanneer we van school kwamen. In die tijd gebruikte iedereen turf, het was de enige brandstof die we hadden.
Tot vorig jaar stak ik zelf ook ieder voorjaar nog een kleine hoeveelheid turf met de hand. Niet omdat het moest, maar om af en toe een turfvuur te hebben, te genieten van de geur van een turfvuur en omdat ik altijd geniet van het buiten zijn en het buiten werken. Tegenwoordig heb ik daar niet veel tijd meer voor, met mijn werk bij het bezoekerscentrum van National Park Ballycroy”.
Michael vertelt dat hij dit jaar promotie heeft gemaakt, hij is nu hoofdgids bij National Park Ballycroy. Het informatiecentrum richt zich vooral op educatie en voorlichting. Regelmatig komen schoolklassen en studenten op bezoek, om lessen, workshops en excursies te volgen. Meerdere informatie avonden voor omwonenden en andere belangstellenden staan in de planning. Doelstelling hiervan is om mensen bewust te maken van het belang van het behoud van de bogs en te informeren over de unieke biodiversiteit. De toekomst ligt bij de kinderen, educatie is dus zeer belangrijk.
Ik vraag Michael hoe hij de toekomst ziet van de veengebieden in Ierland.
Michael vertelt: “Het alternatief voor turf is olie, maar dit is erg duur. Het probleem hier in West-Ierland is, dat de mensen naast de bogs wonen en deze bezitten. Het turfsteken is nog steeds wel veel werk, maar is wel een stuk minder zwaar, nu we de beschikking hebben over verschillende soorten machines. De turf wordt in de hopper of de sausager samengeperst en is dan compacter dan wanneer het zo uit de grond geschept wordt. Het droogt sneller en is harder, het is een compacter product dan de turf die is gegraven met de sleán. En daarnaast hebben we nu de beschikking over tractors om de turf thuis te brengen. We hoeven er niet meer mee te sjouwen. Veel mensen hebben een turfgestookte stove, of een range die de radiatoren in huis verwarmen en daarnaast zorgen voor warm water. Ja je moet voor je brandstof werken, maar dan is het verder wel gratis. Een olie gestookte range wordt vaak gebruikt als backup. Wanneer je thuis komt uit het werk of in de ochtend na het opstaan, word even de oliegestookte range aangezet, maar de hoofdbrandstof is nog vaak turf”.
“Er wordt al veel gedaan ter bescherming van veel veengebieden. Er is een goede balans wat betreft de begrazing. Er zijn plannen om meer inheemse bomen te planten in plaats van de sparren voor de bosbouw, zodat er weer diversiteit ontstaat w.b. flora en fauna. Energiecentrales zullen stoppen met het gebruiken van turf als brandstof. Dat is een grote verandering, veel mensen zullen hun werk verliezen. Maar het zal ook een groot verschil maken, omdat de industriële turfwinning het grootste probleem is. Ik ben van mening dat kleinschalige turfwinning voor huiselijk gebruik, alleen dat wat je zelf nodig heb, geen bedreiging zal zijn voor het veen. Dit zal de balans niet verstoren, dit wordt al honderden jaren zo gedaan. Maar er zijn ook mensen met grote machines die grote gebieden veenland bezitten en turf winnen voor de verkoop, hier hun inkomen uit halen. Waarschijnlijk zal dat moeten stoppen. Wel denk ik dat deze mensen gecompenseerd moeten worden voor de machines waar ze in geïnvesteerd hebben, zodat mensen zich kunnen bezinnen om iets anders te gaan doen. Bosbouw bedrijven moeten stoppen met het draineren en beplanten van de bogs met sparren. In plaats daarvan zullen er weer inheemse soorten worden geïntroduceerd”.
“Het veenland is altijd een belangrijk onderdeel geweest van het Ierse leven en de cultuur voor onze mensen, maar ook een zeer belangrijke habitat voor een breed scala aan dieren en planten, en fungeert daarnaast als een enorme koolstofput.
In de afgelopen 80 jaar hebben we grote delen van ons veenland zien verdwijnen door drainage en turfwinning op grote schaal, maar ons kleine land is nog steeds goed voor 8% van het veenland van de wereld. Dus de toekomst van ons veenland is momenteel een groot gespreksonderwerp. Ja, we moeten onze bogs beschermen en ja, we moeten zorgen voor de mensen die afhankelijk zijn van de bogs en de turf nodig hebben om hun huizen te verwarmen.
Persoonlijk ben ik van mening dat een langetermijnregeling beschikbaar gesteld zou moeten worden, waarbij de landeigenaren een vergoeding ontvangen om voor de bogs te zorgen die zij bezitten. Mensen die veel geld hebben geïnvesteerd in machines om turf te winnen, zouden deze kosten moeten kunnen terugvorderen door middel van een eenmalige Europese subsidie, zodat ze nieuwe wegen kunnen inslaan om te voorzien in hun levensonderhoud.
Onze veengebieden hebben ons in het verleden zo goed gediend, maar als we doorgaan met het winnen van turf in het huidige tempo, zal er voor onze toekomstige generaties niets van deze unieke gebieden, inclusief al het wild dat ervan afhankelijk is, over blijven om van te genieten”.





Reacties
Een reactie posten